Verhandeling 171 Paper 171
Op weg naar Jeruzalem On the Way to Jerusalem
171:0.1 (1867.1) DE dag na de gedenkwaardige toespraak over ‘Het koninkrijk des hemels’ kondigde Jezus aan dat hij en zijn apostelen de volgende dag naar Jeruzalem zouden vertrekken voor het Paasfeest, en daarbij onderweg talrijke plaatsen in het zuiden van Perea zouden aandoen. 171:0.1 (1867.1) THE day after the memorable sermon on “The Kingdom of Heaven,” Jesus announced that on the following day he and the apostles would depart for the Passover at Jerusalem, visiting numerous cities in southern Perea on the way.
171:0.2 (1867.2) De toespraak over het koninkrijk en de aankondiging dat hij naar het Paasfeest zou gaan, deed bij al zijn volgelingen de gedachte postvatten dat hij naar Jeruzalem wilde gaan om het wereldlijke koninkrijk op te richten waarin de Joden de oppermacht zouden hebben. Wat Jezus ook zei over het niet-materiële karakter van het koninkrijk, hij kon het idee dat de Messias de een of andere nationalistische regering zou vestigen, met haar zetel in Jeruzalem, niet geheel en al uit de gedachten van zijn Joodse toehoorders bannen. 171:0.2 (1867.2) The address on the kingdom and the announcement that he was going to the Passover set all his followers to thinking that he was going up to Jerusalem to inaugurate the temporal kingdom of Jewish supremacy. No matter what Jesus said about the nonmaterial character of the kingdom, he could not wholly remove from the minds of his Jewish hearers the idea that the Messiah was to establish some kind of nationalistic government with headquarters at Jerusalem.
171:0.3 (1867.3) Wat Jezus in zijn Sabbattoespraak had gezegd, had er slechts toe geleid dat er onder het merendeel van zijn volgelingen verwarring was ontstaan; slechts zeer weinigen hadden door de verhandeling van de Meester een helderder inzicht gekregen. De leiders begrepen wel iets van zijn onderricht over het innerlijke koninkrijk, ‘het koninkrijk des hemels binnen in u,’ maar zij wisten ook dat hij nog over een ander, toekomstig koninkrijk had gesproken, en ze waren van mening dat hij nu naar Jeruzalem ging om dit koninkrijk te vestigen. Toen zij in die verwachting werden teleurgesteld, toen hij door de Joden werd verworpen, en ook later, toen Jeruzalem letterlijk werd verwoest, bleven zij zich toch vastklampen aan deze hoop, in de oprechte overtuiging dat de Meester spoedig met grote macht en majesteitelijke heerlijkheid naar de aarde zou terugkeren om het beloofde koninkrijk op te richten. 171:0.3 (1867.3) What Jesus said in his Sabbath sermon only tended to confuse the majority of his followers; very few were enlightened by the Master’s discourse. The leaders understood something of his teachings regarding the inner kingdom, “the kingdom of heaven within you,” but they also knew that he had spoken about another and future kingdom, and it was this kingdom they believed he was now going up to Jerusalem to establish. When they were disappointed in this expectation, when he was rejected by the Jews, and later on, when Jerusalem was literally destroyed, they still clung to this hope, sincerely believing that the Master would soon return to the world in great power and majestic glory to establish the promised kingdom.
171:0.4 (1867.4) Het was op deze zondagmiddag dat Salome, de moeder van Jakobus en Johannes Zebedeüs, samen met haar twee zonen, de apostelen, naar Jezus ging, en trachtte, op de wijze waarop een Oosters potentaat werd benaderd, Jezus van te voren te laten beloven dat hij haar verzoek zou inwilligen, wat het ook mocht inhouden. De Meester wilde echter niet een dergelijke belofte doen; inplaats daarvan vroeg hij haar, ‘Wat wilt ge dat ik voor u zal doen?’ Daarop antwoordde Salome: ‘Meester, nu ge opgaat naar Jeruzalem om het koninkrijk te vestigen, zou ik u van te voren willen verzoeken mij de toezegging te doen dat deze beide zonen van mij een ereplaats zullen krijgen, dat de één aan uw rechterhand moge zitten in uw koninkrijk en de ander aan uw linkerhand.’ 171:0.4 (1867.4) It was on this Sunday afternoon that Salome the mother of James and John Zebedee came to Jesus with her two apostle sons and, in the manner of approaching an Oriental potentate, sought to have Jesus promise in advance to grant whatever request she might make. But the Master would not promise; instead, he asked her, “What do you want me to do for you?” Then answered Salome: “Master, now that you are going up to Jerusalem to establish the kingdom, I would ask you in advance to promise me that these my sons shall have honor with you, the one to sit on your right hand and the other to sit on your left hand in your kingdom.”
171:0.5 (1867.5) Toen Jezus dit verzoek van Salome hoorde zei hij: ‘Vrouw, ge weet niet wat ge vraagt.’ Daarop keek hij de beide eerzuchtige apostelen recht in de ogen en zei: ‘Omdat ik jullie al zo lang ken en van jullie houd, en omdat ik zelfs bij jullie moeder in huis heb gewoond, en omdat Andreas jullie heeft aangesteld om te allen tijde bij mij te zijn, daarom laten jullie je moeder nu heimelijk met dit onbetamelijke verzoek tot mij komen. Maar ik zou jullie dit willen vragen: zijn jullie in staat de beker te drinken die ik binnenkort zal moeten drinken?’ En zonder een ogenblik na te denken antwoordden Jakobus en Johannes, ‘Ja Meester, daartoe zijn wij in staat.’ Jezus zei daarop: ‘Ik ben bedroefd omdat jullie niet weten waarom wij naar Jeruzalem gaan; het doet mij verdriet dat jullie de aard van mijn koninkrijk niet begrijpen; het stelt mij teleur dat jullie nu je moeder hebt laten komen om mij dit verzoek te doen. Maar ik weet dat jullie mij liefhebben in je hart, daarom verklaar ik dat jullie inderdaad uit mijn bittere beker zult drinken en in mijn vernedering zult delen, doch het is niet aan mij om te bepalen of jullie ter rechter en ter linker zijde van mij zult zitten. Dergelijke eerbewijzen zijn voorbehouden aan hen die daartoe door mijn Vader zijn aangewezen.’ 171:0.5 (1867.5) When Jesus heard Salome’s request, he said: “Woman, you know not what you ask.” And then, looking straight into the eyes of the two honor-seeking apostles, he said: “Because I have long known and loved you; because I have even lived in your mother’s house; because Andrew has assigned you to be with me at all times; therefore do you permit your mother to come to me secretly, making this unseemly request. But let me ask you: Are you able to drink the cup I am about to drink?” And without a moment for thought, James and John answered, “Yes, Master, we are able.” Said Jesus: “I am saddened that you know not why we go up to Jerusalem; I am grieved that you understand not the nature of my kingdom; I am disappointed that you bring your mother to make this request of me; but I know you love me in your hearts; therefore I declare that you shall indeed drink of my cup of bitterness and share in my humiliation, but to sit on my right hand and on my left hand is not mine to give. Such honors are reserved for those who have been designated by my Father.”
171:0.6 (1868.1) Tegen die tijd had iemand aan Petrus en de andere apostelen melding gemaakt van dit gesprek, en dezen waren hoogst verontwaardigd dat Jakobus en Johannes erop uit waren voorkeur te verkrijgen boven hen, en dat zij in het geheim met hun moeder mee waren gegaan om een dergelijk verzoek te doen. Toen zij hierover met elkander begonnen te twisten, riep Jezus hen allen bij zich en zei: ‘Jullie weten heel goed hoe de machthebbers der heidenen hun macht aan hun onderdanen laten voelen en hoe deze groten hun gezag uitoefenen. Maar zo zal het niet zijn in het koninkrijk des hemels. Wie groot zou willen zijn onder jullie, laat hij eerst jullie dienaar worden. Hij die de eerste in het koninkrijk wil zijn, laat hij jullie dienen. Ik zeg jullie dat de Zoon des Mensen niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen; en ik ga nu naar Jeruzalem om mijn leven te geven in het doen van de wil van de Vader en in dienstbaarheid aan mijn broeders.’ Toen de apostelen deze woorden hoorden, trokken zij zich elk afzonderlijk terug om te bidden. Diezelfde avond boden Jakobus en Johannes, ingevolge inspanningen van Petrus, passende verontschuldigingen aan de tien anderen aan en werden daarop weer door hun broeders in genade aangenomen. 171:0.6 (1868.1) By this time someone had carried word of this conference to Peter and the other apostles, and they were highly indignant that James and John would seek to be preferred before them, and that they would secretly go with their mother to make such a request. When they fell to arguing among themselves, Jesus called them all together and said: “You well understand how the rulers of the gentiles lord it over their subjects, and how those who are great exercise authority. But it shall not be so in the kingdom of heaven. Whosoever would be great among you, let him first become your servant. He who would be first in the kingdom, let him become your minister. I declare to you that the Son of Man came not to be ministered to but to minister; and I now go up to Jerusalem to lay down my life in the doing of the Father’s will and in the service of my brethren.” When the apostles heard these words, they withdrew by themselves to pray. That evening, in response to the labors of Peter, James and John made suitable apologies to the ten and were restored to the good graces of their brethren.
171:0.7 (1868.2) Toen de zonen van Zebedeüs om de plaatsen ter rechter en ter linker zijde van Jezus in Jeruzalem vroegen, hadden zij er geen flauw besef van dat hun geliefde leraar binnen een maand aan een Romeins kruis zou hangen, met aan zijn ene zijde een stervende dief en een andere misdadiger aan de andere. En hun moeder die bij de kruisiging aanwezig was, herinnerde zich maar al te goed het dwaze verzoek dat zij in Pella aan Jezus had gedaan met betrekking tot de eer die zij zo onverstandig voor haar apostel-zonen zocht. 171:0.7 (1868.2) In asking for places on the right hand and on the left hand of Jesus at Jerusalem, the sons of Zebedee little realized that in less than one month their beloved teacher would be hanging on a Roman cross with a dying thief on one side and another transgressor on the other side. And their mother, who was present at the crucifixion, well remembered the foolish request she had made of Jesus at Pella regarding the honors she so unwisely sought for her apostle sons.
1. Het vertrek uit Pella ^top 1. The Departure from Pella ^top
171:1.1 (1868.3) Op maandagmorgen, 13 maart, namen Jezus en zijn twaalf apostelen definitief afscheid van het kamp in Pella en vertrokken in zuidelijke richting voor hun rondreis langs de steden in zuidelijk Perea, waar de metgezellen van Abner aan het werk waren. Ze besteedden meer dan twee weken aan bezoeken aan de zeventig en gingen toen rechtstreeks naar Jeruzalem voor het Paasfeest. 171:1.1 (1868.3) On the forenoon of Monday, March 13, Jesus and his twelve apostles took final leave of the Pella encampment, starting south on their tour of the cities of southern Perea, where Abner’s associates were at work. They spent more than two weeks visiting among the seventy and then went directly to Jerusalem for the Passover.
171:1.2 (1868.4) Toen de Meester Pella verliet, trokken de meer dan duizend discipelen die zich bij de apostelen in het kamp hadden opgehouden, achter hem aan. Ongeveer de helft van deze groep verliet hem bij de oversteekplaats van de Jordaan op de weg naar Jericho, toen zij hoorden dat hij naar Chesbon ging en toen hij de toespraak had gehouden over ‘Het berekenen van de kosten.’ Deze helft ging verder naar Jeruzalem, terwijl de andere helft hem twee weken lang volgde bij zijn bezoeken aan de steden in zuidelijk Perea. 171:1.2 (1868.4) When the Master left Pella, the disciples encamped with the apostles, about one thousand in number, followed after him. About one half of this group left him at the Jordan ford on the road to Jericho when they learned he was going over to Heshbon, and after he had preached the sermon on “Counting the Cost.” They went on up to Jerusalem, while the other half followed him for two weeks, visiting the towns in southern Perea.
171:1.3 (1868.5) In algemene zin begrepen de naaste volgelingen van Jezus wel dat het kamp in Pella nu had afgedaan, maar zij dachten werkelijk dat dit erop duidde dat de Meester nu ten slotte toch van plan was naar Jeruzalem te gaan en daar aanspraak te maken op de troon van David. De grote meerderheid van zijn volgelingen kon zich nooit een andere voorstelling van het koninkrijk vormen: wat hij hun ook leerde, ze wilden dit Joodse idee van het koninkrijk niet opgeven. 171:1.3 (1868.5) In a general way, most of Jesus’ immediate followers understood that the camp at Pella had been abandoned, but they really thought this indicated that their Master at last intended to go to Jerusalem and lay claim to David’s throne. A large majority of his followers never were able to grasp any other concept of the kingdom of heaven; no matter what he taught them, they would not give up this Jewish idea of the kingdom.
171:1.4 (1868.6) In opdracht van de apostel Andreas, sloot David Zebedeüs op woensdag, 15 maart, het bezoekerskamp bij Pella. Op dat moment verbleven er bijna vierduizend bezoekers, niet inbegrepen de meer dan duizend personen die verblijf hielden bij de apostelen in wat het kamp der leraren werd genoemd, en die met Jezus en de twaalf apostelen naar het zuiden trokken. Met grote tegenzin verkocht David de hele uitrusting aan talrijke kopers en ging met de opbrengst op weg naar Jeruzalem, waar hij later het geld aan Judas Iskariot overhandigde. 171:1.4 (1868.6) Acting on the instructions of the Apostle Andrew, David Zebedee closed the visitors’ camp at Pella on Wednesday, March 15. At this time almost four thousand visitors were in residence, and this does not include the one thousand and more persons who sojourned with the apostles at what was known as the teachers’ camp, and who went south with Jesus and the twelve. Much as David disliked to do it, he sold the entire equipment to numerous buyers and proceeded with the funds to Jerusalem, subsequently turning the money over to Judas Iscariot.
171:1.5 (1869.1) David was tijdens de laatste tragische week in Jeruzalem, en na de kruisiging nam hij zijn moeder mee terug naar Betsaïda. Gedurende de tijd dat hij op Jezus en de apostelen moest wachten, hield David zich op bij Lazarus in Betanië, en raakte enorm verontrust over de manier waarop de Farizeeën deze sedert zijn opstanding waren begonnen te vervolgen en te kwellen. Andreas had David opgedragen met de koeriersdienst te stoppen, en door allen werd dit nu uitgelegd als een aanwijzing dat de vestiging van het koninkrijk in Jeruzalem ophanden was. David zag zich nu zonder werk en had al zo ongeveer besloten zichzelf op te werpen als de verdediger van Lazarus, toen kort daarop het voorwerp van zijn verontwaardigde zorg overhaast naar Filadelfia vluchtte. Dus ging David, enige tijd na de opstanding toen ook zijn moeder gestorven was, eveneens naar Filadelfia, nadat hij eerst Marta en Maria had geholpen bij het van de hand doen van hun onroerend goed. Samen met Abner en Lazarus bracht hij daar de rest van zijn leven door, en hij werd de financiële beheerder van al die grote belangen van het koninkrijk die gedurende het leven van Abner hun centrum hadden in Filadelfia. 171:1.5 (1869.1) David was present in Jerusalem during the tragic last week, taking his mother back with him to Bethsaida after the crucifixion. While awaiting Jesus and the apostles, David stopped with Lazarus at Bethany and became tremendously agitated by the manner in which the Pharisees had begun to persecute and harass him since his resurrection. Andrew had directed David to discontinue the messenger service; and this was construed by all as an indication of the early establishment of the kingdom at Jerusalem. David found himself without a job, and he had about decided to become the self-appointed defender of Lazarus when presently the object of his indignant solicitude fled in haste to Philadelphia. Accordingly, sometime after the resurrection and also after the death of his mother, David betook himself to Philadelphia, having first assisted Martha and Mary in disposing of their real estate; and there, in association with Abner and Lazarus, he spent the remainder of his life, becoming the financial overseer of all those large interests of the kingdom which had their center at Philadelphia during the lifetime of Abner.
171:1.6 (1869.2) Binnen korte tijd na de verwoesting van Jeruzalem was Antiochië de hoofdzetel van het Paulinische Christendom, terwijl Filadelfia het centrum bleef van het Abneriaanse koninkrijk des hemels. Vanuit Antiochië verspreidde de Paulinische versie van het onderricht van Jezus en over Jezus zich over de gehele Westerse wereld; vanuit Filadelfia verspreidden zich de zendelingen van de Abneriaanse versie van het koninkrijk des hemels over geheel Mesopotamië en Arabië, totdat in latere tijden deze standvastige gezanten van de leer van Jezus werden overweldigd door de plotselinge opkomst van de Islam. 171:1.6 (1869.2) Within a short time after the destruction of Jerusalem, Antioch became the headquarters of Pauline Christianity, while Philadelphia remained the center of the Abnerian kingdom of heaven. From Antioch the Pauline version of the teachings of Jesus and about Jesus spread to all the Western world; from Philadelphia the missionaries of the Abnerian version of the kingdom of heaven spread throughout Mesopotamia and Arabia until the later times when these uncompromising emissaries of the teachings of Jesus were overwhelmed by the sudden rise of Islam.
2. Het berekenen van de kosten ^top 2. On Counting the Cost ^top
171:2.1 (1869.3) Toen Jezus en het gezelschap van bijna duizend volgelingen de oversteekplaats van de Jordaan bij Betanië, die soms Betabara werd genoemd, bereikte, begonnen zijn discipelen te beseffen dat hij niet rechtstreeks naar Jeruzalem ging. Terwijl zij aarzelden en onderling overlegden, klom Jezus op een enorm rotsblok en hield de toespraak die bekend is geworden als ‘Het berekenen van de kosten.’ De Meester sprak: 171:2.1 (1869.3) When Jesus and the company of almost one thousand followers arrived at the Bethany ford of the Jordan sometimes called Bethabara, his disciples began to realize that he was not going directly to Jerusalem. While they hesitated and debated among themselves, Jesus climbed upon a huge stone and delivered that discourse which has become known as “Counting the Cost.” The Master said:
171:2.2 (1869.4) ‘Gij die mij van nu af aan wilt volgen, moet bereid zijn de prijs te betalen van oprechte toewijding aan het doen van de wil van mijn Vader. Indien ge mijn discipelen wilt zijn, moet ge bereid zijn uw vader, moeder, vrouw, kinderen, broers, en zusters te verlaten. Een ieder die nu mijn discipel wil zijn, moet bereid zijn zelfs zijn leven te geven, evenals de Zoon des Mensen op het punt staat zijn leven op te offeren ter voltooiing van de missie om de wil van de Vader te doen op aarde, en in het vlees. 171:2.2 (1869.4) “You who would follow after me from this time on, must be willing to pay the price of wholehearted dedication to the doing of my Father’s will. If you would be my disciples, you must be willing to forsake father, mother, wife, children, brothers, and sisters. If any one of you would now be my disciple, you must be willing to give up even your life just as the Son of Man is about to offer up his life for the completion of the mission of doing the Father’s will on earth and in the flesh.
171:2.3 (1869.5) ‘Indien ge niet bereid zijt de volle prijs te betalen, kunt ge eigenlijk niet mijn discipel zijn. Voordat ge verder gaat moet een ieder van u gaan zitten en berekenen wat het hem kost om mijn discipel te zijn. Wie van u zou een wachttoren op uw land beginnen te bouwen zonder eerst te gaan zitten om de kosten te berekenen en te zien of ge genoeg geld hebt om de toren ook te voltooien? Indien ge nalaat de kosten te berekenen zoudt ge, nadat ge het fundament hebt gelegd, tot de ontdekking kunnen komen dat ge niet in staat zijt om wat ge zijt begonnen, ook af te maken, en daarom zullen al uw buren u bespotten en zeggen: “Zie, deze man is begonnen te bouwen maar was niet in staat om zijn werk af te maken.” Nogmaals, welke koning zou, wanneer hij zich opmaakt om oorlog te voeren tegen een andere koning, niet gaan zitten en zich beraden of hij met tienduizend man in staat zal zijn op te trekken tegen de andere met twintigduizend? Indien de koning het zich niet kan veroorloven om op te trekken tegen zijn vijand omdat hij daar niet klaar voor is, stuurt hij een gezantschap naar die andere koning om de voorwaarden voor vrede te vernemen, en bij voorkeur als deze hem nog niet dicht is genaderd. 171:2.3 (1869.5) “If you are not willing to pay the full price, you can hardly be my disciple. Before you go further, you should each sit down and count the cost of being my disciple. Which one of you would undertake to build a watchtower on your lands without first sitting down to count up the cost to see whether you had money enough to complete it? If you fail thus to reckon the cost, after you have laid the foundation, you may discover that you are unable to finish that which you have begun, and therefore will all your neighbors mock you, saying, ‘Behold, this man began to build but was unable to finish his work.’ Again, what king, when he prepares to make war upon another king, does not first sit down and take counsel as to whether he will be able, with ten thousand men, to meet him who comes against him with twenty thousand? If the king cannot afford to meet his enemy because he is unprepared, he sends an embassy to this other king, even when he is yet a great way off, asking for terms of peace.
171:2.4 (1870.1) ‘Zo ook moet een ieder van u gaan zitten en nagaan wat het hem zal kosten mijn discipel te zijn. Van nu af aan zult ge niet meer achter ons aan kunnen trekken, luisterend naar het onderricht en ziende naar de werken; er zal van u gevraagd worden bittere vervolging onder ogen te zien en ondanks overweldigende teleurstelling te getuigen van het evangelie. Indien ge niet bereid bent om afstand te doen van alles wat ge zijt en om alles wat ge hebt in te zetten, zijt ge niet waardig mijn discipel te zijn. Indien ge uzelf reeds innerlijk hebt overwonnen, behoeft ge niet bevreesd te zijn voor de uiterlijke overwinning die ge binnenkort moet behalen wanneer de Zoon des Mensen zal worden verworpen door de hogepriesters en Sadduceeën en zal worden overgeleverd in de handen van spottende ongelovigen. 171:2.4 (1870.1) “Now, then, must each of you sit down and count the cost of being my disciple. From now on you will not be able to follow after us, listening to the teaching and beholding the works; you will be required to face bitter persecutions and to bear witness for this gospel in the face of crushing disappointment. If you are unwilling to renounce all that you are and to dedicate all that you have, then are you unworthy to be my disciple. If you have already conquered yourself within your own heart, you need have no fear of that outward victory which you must presently gain when the Son of Man is rejected by the chief priests and the Sadducees and is given into the hands of mocking unbelievers.
171:2.5 (1870.2) ‘Nu moet ge uzelf onderzoeken om na te gaan wat uw beweegreden is om mijn discipel te zijn. Indien ge eer en roem zoekt, indien ge wereldsgezind zijt, zijt ge als het zout dat zijn smaak heeft verloren. En wanneer dat wat zijn waarde ontleent aan zijn zoutheid, nu zijn smaak heeft verloren, waarmee moet het dan op smaak gebracht worden? Zulk een kruiderij is nutteloos; het is alleen geschikt om bij het afval te worden gegooid. Ik heb u nu gewaarschuwd om in vrede terug te keren naar uw huis indien ge niet bereid zijt om met mij de beker te drinken die nu klaargemaakt wordt. Keer op keer heb ik u gezegd dat mijn koninkrijk niet van deze wereld is, maar ge wilt mij niet geloven. Hij die oren heeft om te horen, laat hem horen wat ik zeg.’ 171:2.5 (1870.2) “Now should you examine yourself to find out your motive for being my disciple. If you seek honor and glory, if you are worldly minded, you are like the salt when it has lost its savor. And when that which is valued for its saltiness has lost its savor, wherewith shall it be seasoned? Such a condiment is useless; it is fit only to be cast out among the refuse. Now have I warned you to turn back to your homes in peace if you are not willing to drink with me the cup which is being prepared. Again and again have I told you that my kingdom is not of this world, but you will not believe me. He who has ears to hear let him hear what I say.”
171:2.6 (1870.3) Onmiddellijk nadat hij deze woorden gesproken had, begaf Jezus zich aan het hoofd van de twaalf op weg naar Chesbon, en ongeveer vijfhonderd volgden hem. Na een kort oponthoud ging de andere helft van de menigte door naar Jeruzalem. Zijn apostelen, evenals de toonaangevende discipelen, dachten lang over deze woorden na, maar nog steeds hielden zij vast aan hun overtuiging dat na deze korte periode van tegenslag en beproeving, het koninkrijk zeker zou worden opgericht, min of meer in overeenstemming met hun lang gekoesterde hoop. 171:2.6 (1870.3) Immediately after speaking these words, Jesus, leading the twelve, started off on the way to Heshbon, followed by about five hundred. After a brief delay the other half of the multitude went on up to Jerusalem. His apostles, together with the leading disciples, thought much about these words, but still they clung to the belief that, after this brief period of adversity and trial, the kingdom would certainly be set up somewhat in accordance with their long-cherished hopes.
3. De rondreis door Perea ^top 3. The Perean Tour ^top
171:3.1 (1870.4) Meer dan twee weken lang reisden Jezus en de twaalf, gevolgd door een menigte van verscheidene honderden discipelen, rond door het zuiden van Perea, waarbij zij alle steden bezochten waar de zeventig arbeidden. In dit gebied woonden vele niet-Joden, en omdat maar weinig mensen naar Jeruzalem gingen voor het Paasfeest, gingen de boodschappers van het koninkrijk gewoon door met hun werk van onderricht en prediking. 171:3.1 (1870.4) For more than two weeks Jesus and the twelve, followed by a crowd of several hundred disciples, journeyed about in southern Perea, visiting all of the towns wherein the seventy labored. Many gentiles lived in this region, and since few were going up to the Passover feast at Jerusalem, the messengers of the kingdom went right on with their work of teaching and preaching.
171:3.2 (1870.5) Jezus trof Abner in Chesbon, en Andreas gaf opdracht om de arbeid van de zeventig niet door het Paasfeest te laten onderbreken: Jezus gaf de boodschappers de raad om door te gaan met hun werk en absoluut niet te letten op wat spoedig te Jeruzalem zou gaan gebeuren. Ook raadde hij Abner om het vrouwenkorps, althans degenen die dit wensten, toe te staan naar Jeruzalem te gaan voor het Paasfeest. Dit was de laatste keer dat Abner Jezus nog in het vlees zag. Zijn vaarwel aan Abner luidde: ‘Zoon, ik weet dat je trouw zult zijn aan het koninkrijk, en ik bid de Vader om je wijsheid te schenken, opdat je je broeders moogt liefhebben en begrijpen.’ 171:3.2 (1870.5) Jesus met Abner at Heshbon, and Andrew directed that the labors of the seventy should not be interrupted by the Passover feast; Jesus advised that the messengers should go forward with their work in complete disregard of what was about to happen at Jerusalem. He also counseled Abner to permit the women’s corps, at least such as desired, to go to Jerusalem for the Passover. And this was the last time Abner ever saw Jesus in the flesh. His farewell to Abner was: “My son, I know you will be true to the kingdom, and I pray the Father to grant you wisdom that you may love and understand your brethren.”
171:3.3 (1870.6) Terwijl zij van stad tot stad trokken, verlieten grote aantallen van hun volgelingen hen om door te gaan naar Jeruzalem, zodat het aantal van degenen die hem van dag tot dag volgden, tegen de tijd dat Jezus opging naar het Paasfeest, geslonken was tot nog geen tweehonderd. 171:3.3 (1870.6) As they traveled from city to city, large numbers of their followers deserted to go on to Jerusalem so that, by the time Jesus started for the Passover, the number of those who followed along with him day by day had dwindled to less than two hundred.
171:3.4 (1871.1) De apostelen begrepen dat Jezus naar Jeruzalem ging voor het Paasfeest. Zij wisten dat het Sanhedrin een boodschap aan heel Israel had verspreid dat hij ter dood was veroordeeld, en dat iedereen die wist waar hij zich ophield de opdracht had dit aan het Sanhedrin te melden; en toch, ondanks dit alles, waren ze niet zo gealarmeerd als toen hij hun in Filadelfia had aangekondigd dat hij naar Betanië zou gaan om Lazarus te bezoeken. Deze veranderde instelling, van hevige vrees tot heimelijke verwachting, was grotendeels veroorzaakt door de opwekking van Lazarus. Ze waren tot de conclusie gekomen dat Jezus in geval van nood zijn goddelijke kracht wel zou doen gelden en zijn vijanden zou beschamen. Deze hoop, gepaard aan hun diepere, rijpere geloof in de geestelijke, allerhoogste macht van hun Meester, was de verklaring voor de uiterlijke moed die aan de dag werd gelegd door zijn naaste volgelingen, die zich juist nu opmaakten om hem tot in Jeruzalem te volgen, in weerwil van de openlijke verklaring van het Sanhedrin dat hij moest sterven. 171:3.4 (1871.1) The apostles understood that Jesus was going to Jerusalem for the Passover. They knew that the Sanhedrin had broadcast a message to all Israel that he had been condemned to die and directing that anyone knowing his whereabouts should inform the Sanhedrin; and yet, despite all this, they were not so alarmed as they had been when he had announced to them in Philadelphia that he was going to Bethany to see Lazarus. This change of attitude from that of intense fear to a state of hushed expectancy was mostly because of Lazarus’s resurrection. They had reached the conclusion that Jesus might, in an emergency, assert his divine power and put to shame his enemies. This hope, coupled with their more profound and mature faith in the spiritual supremacy of their Master, accounted for the outward courage displayed by his immediate followers, who now made ready to follow him into Jerusalem in the very face of the open declaration of the Sanhedrin that he must die.
171:3.5 (1871.2) De meerderheid van de apostelen, en velen van zijn naaste discipelen, geloofden niet dat Jezus kon sterven: zij geloofden dat hij ‘de opstanding en het leven’ was en beschouwden hem daarom als onsterfelijk en reeds triomferend over de dood. 171:3.5 (1871.2) The majority of the apostles and many of his inner disciples did not believe it possible for Jesus to die; they, believing that he was “the resurrection and the life,” regarded him as immortal and already triumphant over death.
4. Het onderricht in Livias ^top 4. Teaching at Livias ^top
171:4.1 (1871.3) Op woensdag 29 maart gingen Jezus en zijn volgelingen op weg naar Jeruzalem omdat zij hun rondreis langs de steden in het zuiden van Perea hadden voltooid en sloegen ’s avonds hun kamp op in Livias. Het was tijdens deze nacht in Livias dat Simon Zelotes en Simon Petrus, die hadden beraamd dat hun hier meer dan honderd zwaarden geleverd zouden worden, deze wapens in ontvangst namen en uitdeelden aan allen die ze wilden accepteren en ze verborgen onder hun mantels wilden dragen. Simon Petrus droeg dit zwaard nog steeds in de nacht dat Jezus in de hof werd verraden. 171:4.1 (1871.3) On Wednesday evening, March 29, Jesus and his followers encamped at Livias on their way to Jerusalem, after having completed their tour of the cities of southern Perea. It was during this night at Livias that Simon Zelotes and Simon Peter, having conspired to have delivered into their hands at this place more than one hundred swords, received and distributed these arms to all who would accept them and wear them concealed beneath their cloaks. Simon Peter was still wearing his sword on the night of the Master’s betrayal in the garden.
171:4.2 (1871.4) Donderdagmorgen in de vroegte, voordat de anderen wakker waren, riep Jezus Andreas bij zich en zei: ‘Wek je broeders, ik heb hun iets te zeggen.’ Jezus wist van de zwaarden en ook welke apostelen deze wapens hadden aangenomen en droegen, maar hij onthulde hun nooit dat hij dergelijke dingen wist. Toen Andreas zijn metgezellen had gewekt en ze op een afgezonderde plaats bijeen waren gekomen, zei Jezus: ‘Mijn kinderen, jullie zijn nu reeds lange tijd bij mij geweest, en ik heb jullie veel geleerd wat voor deze tijd nodig is, maar ik zou jullie nu willen waarschuwen geen vertrouwen te stellen in de onzekerheden van het vlees, noch in de zwakheden van ’s mensen verweer tegen de beproevingen en krachtmetingen die voor ons liggen. Ik heb jullie hier apart bijeen laten komen om jullie nog eens duidelijk te zeggen dat wij opgaan naar Jeruzalem, waar, zoals jullie weten, de Zoon des Mensen reeds ter dood veroordeeld is. Opnieuw zeg ik jullie dat de Zoon des Mensen overgeleverd zal worden in de handen van de overpriesters en de religieuze machthebbers: dat zij hem zullen veroordelen en hem dan zullen overleveren in de handen der niet-Joden. En zo zullen zij de spot drijven met de Zoon des Mensen, zelfs op hem spuwen en hem geselen, en zij zullen hem ter dood brengen. En wanneer zij de Zoon des Mensen doden, weest dan niet bevreesd, want ik zeg jullie dat hij ten derden dage zal opstaan. Past op en denkt eraan dat ik jullie vooraf heb gewaarschuwd.’ 171:4.2 (1871.4) Early on Thursday morning before the others were awake, Jesus called Andrew and said: “Awaken your brethren! I have something to say to them.” Jesus knew about the swords and which of his apostles had received and were wearing these weapons, but he never disclosed to them that he knew such things. When Andrew had aroused his associates, and they had assembled off by themselves, Jesus said: “My children, you have been with me a long while, and I have taught you much that is needful for this time, but I would now warn you not to put your trust in the uncertainties of the flesh nor in the frailties of man’s defense against the trials and testing which lie ahead of us. I have called you apart here by yourselves that I may once more plainly tell you that we are going up to Jerusalem, where you know the Son of Man has already been condemned to death. Again am I telling you that the Son of Man will be delivered into the hands of the chief priests and the religious rulers; that they will condemn him and then deliver him into the hands of the gentiles. And so will they mock the Son of Man, even spit upon him and scourge him, and they will deliver him up to death. And when they kill the Son of Man, be not dismayed, for I declare that on the third day he shall rise. Take heed to yourselves and remember that I have forewarned you.”
171:4.3 (1871.5) Opnieuw waren de apostelen verbaasd, ontsteld; zij konden er echter niet toe komen zijn woorden letterlijk te nemen: zij konden maar niet begrijpen dat de Meester precies meende wat hij zei. Ze waren zo verblind door hun hardnekkige geloof in het wereldlijke koninkrijk op aarde, met Jeruzalem als centrum, dat zij zich eenvoudig niet konden — niet wilden — veroorloven Jezus’ woorden letterlijk te nemen. Zij dachten de hele dag na over wat de Meester wel kon bedoelen met zulke vreemde uitspraken. Maar niemand van hen durfde hem een vraag te stellen over deze verklaringen. Pas na zijn dood ging het bij deze verbijsterde apostelen dagen dat de Meester onomwonden en op de man af tot hen had gesproken, vooruitlopend op zijn kruisiging. 171:4.3 (1871.5) Again were the apostles amazed, stunned; but they could not bring themselves to regard his words as literal; they could not comprehend that the Master meant just what he said. They were so blinded by their persistent belief in the temporal kingdom on earth, with headquarters at Jerusalem, that they simply could not—would not—permit themselves to accept Jesus’ words as literal. They pondered all that day as to what the Master could mean by such strange pronouncements. But none of them dared to ask him a question concerning these statements. Not until after his death did these bewildered apostles wake up to the realization that the Master had spoken to them plainly and directly in anticipation of his crucifixion.
171:4.4 (1872.1) Hier in Livias gebeurde het dat, vlak na het ontbijt, zekere Jezus vriendelijk gezinde Farizeeën tot hem kwamen en zeiden: ‘Vlucht haastig uit deze streken, want Herodes tracht nu u te doden, zoals hij dit Johannes gedaan heeft. Hij is bang dat er een oproer onder het volk zal ontstaan en hij heeft besloten u ter dood te brengen. Wij komen u deze waarschuwing brengen opdat ge zult kunnen ontkomen.’ 171:4.4 (1872.1) It was here at Livias, just after breakfast, that certain friendly Pharisees came to Jesus and said: “Flee in haste from these parts, for Herod, just as he sought John, now seeks to kill you. He fears an uprising of the people and has decided to kill you. We bring you this warning that you may escape.”
171:4.5 (1872.2) En dit was gedeeltelijk waar. De opwekking van Lazarus had Herodes beangstigd en gealarmeerd, en daar hij wist dat het Sanhedrin het had aangedurfd Jezus te veroordelen zelfs nog voordat hij terechtgestaan had, nam Herodes het besluit om hetzij Jezus te doden, hetzij hem uit zijn gebied te verjagen. In werkelijkheid wilde hij het laatste doen, omdat hij zo bevreesd voor hem was, dat hij hoopte dat hij niet gedwongen zou worden hem terecht te stellen. 171:4.5 (1872.2) And this was partly true. The resurrection of Lazarus frightened and alarmed Herod, and knowing that the Sanhedrin had dared to condemn Jesus, even in advance of a trial, Herod made up his mind either to kill Jesus or to drive him out of his domains. He really desired to do the latter since he so feared him that he hoped he would not be compelled to execute him.
171:4.6 (1872.3) Toen Jezus had aangehoord wat de Farizeeën te zeggen hadden, antwoordde hij: ‘Herodes en zijn vrees voor dit evangelie van het koninkrijk zijn mij welbekend. Maar vergis u niet, hij zou veel liever willen dat de Zoon des Mensen naar Jeruzalem zou gaan om daar te lijden en te sterven door de handen van de overpriesters; hij is er niet op gebrand, nu hij reeds zijn handen heeft bezoedeld met het bloed van Johannes, ook nog verantwoordelijk te worden voor de dood van de Zoon des Mensen. Gaat gij die vos maar vertellen dat de Zoon des Mensen vandaag nog in Perea predikt, morgen naar Judea zal gaan, en in enkele dagen zijn missie op aarde voltooid zal hebben en gereed zal zijn om op te varen naar de Vader.’ 171:4.6 (1872.3) When Jesus heard what the Pharisees had to say, he replied: “I well know about Herod and his fear of this gospel of the kingdom. But, mistake not, he would much prefer that the Son of Man go up to Jerusalem to suffer and die at the hands of the chief priests; he is not anxious, having stained his hands with the blood of John, to become responsible for the death of the Son of Man. Go you and tell that fox that the Son of Man preaches in Perea today, tomorrow goes into Judea, and after a few days, will be perfected in his mission on earth and prepared to ascend to the Father.”
171:4.7 (1872.4) Daarop wendde Jezus zich tot zijn apostelen en zei: ‘Vanouds zijn de profeten omgekomen in Jeruzalem, en het is niet meer dan passend dat de Zoon des Mensen naar de stad gaat waar het huis van zijn Vader staat, om geofferd te worden als de prijs voor het fanatisme der mensen en ten gevolge van godsdienstig vooroordeel en geestelijke blindheid. O Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en de leraren van waarheid stenigt! Hoe dikwijls heb ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt, maar gij hebt het mij niet willen laten doen! Zie, uw huis zal u spoedig verlaten achtergelaten worden. Vele malen zult gij verlangen mij te zien, doch het zal u niet geschieden. Gij zult mij dan zoeken, maar mij niet vinden.’ Na dit gesproken te hebben, wendde hij zich tot degenen die om hem heen stonden en zei: ‘Laten wij niettemin opgaan naar Jeruzalem om het Paasfeest bij te wonen en te doen wat ons betaamt bij het volbrengen van de wil van de Vader in de hemel.’ 171:4.7 (1872.4) Then turning to his apostles, Jesus said: “From olden times the prophets have perished in Jerusalem, and it is only befitting that the Son of Man should go up to the city of the Father’s house to be offered up as the price of human bigotry and as the result of religious prejudice and spiritual blindness. O Jerusalem, Jerusalem, which kills the prophets and stones the teachers of truth! How often would I have gathered your children together even as a hen gathers her own brood under her wings, but you would not let me do it! Behold, your house is about to be left to you desolate! You will many times desire to see me, but you shall not. You will then seek but not find me.” And when he had spoken, he turned to those around him and said: “Nevertheless, let us go up to Jerusalem to attend the Passover and do that which becomes us in fulfilling the will of the Father in heaven.”
171:4.8 (1872.5) De groep gelovigen die Jezus die dag naar Jericho volgde, was verward en verbijsterd. De apostelen hoorden in de uitspraken van Jezus over het koninkrijk alleen de toon van zekerheid over de uiteindelijke triomf: ze konden zichzelf eenvoudig niet tot het punt brengen waar zij bereid waren om de waarschuwingen voor de aanstaande tegenslag te begrijpen. Toen Jezus sprak over ‘ten derden dage verrijzen’ grepen ze deze uitspraak aan als een aanduiding van een zekere triomf van het koninkrijk onmiddellijk na een onaangename voorafgaande schermutseling met de Joodse religieuze leiders. De ‘derde dag’ was een gewone Joodse uitdrukking die ‘binnenkort’ of ‘spoedig hierna’ betekende. En wanneer Jezus sprak van ‘verrijzen’, dachten zij dat hij doelde op de ‘verrijzing van het koninkrijk’. 171:4.8 (1872.5) It was a confused and bewildered group of believers who this day followed Jesus into Jericho. The apostles could discern only the certain note of final triumph in Jesus’ declarations regarding the kingdom; they just could not bring themselves to that place where they were willing to grasp the warnings of the impending setback. When Jesus spoke of “rising on the third day,” they seized upon this statement as signifying a sure triumph of the kingdom immediately following an unpleasant preliminary skirmish with the Jewish religious leaders. The “third day” was a common Jewish expression signifying “presently” or “soon thereafter.” When Jesus spoke of “rising,” they thought he referred to the “rising of the kingdom.”
171:4.9 (1872.6) Jezus was door deze gelovigen aanvaard als de Messias, en de Joden wisten weinig of niets van een lijdende Messias. Zij begrepen niet dat Jezus vele dingen tot stand zou brengen door zijn dood, die door zijn leven nimmer bereikt hadden kunnen worden. Terwijl de apostelen de moed om Jeruzalem binnen te gaan ontleenden aan de opstanding van Lazarus, werd de Meester tijdens deze moeilijke periode in zijn zelfschenking gedragen door zijn herinnering aan de transfiguratie. 171:4.9 (1872.6) Jesus had been accepted by these believers as the Messiah, and the Jews knew little or nothing about a suffering Messiah. They did not understand that Jesus was to accomplish many things by his death which could never have been achieved by his life. While it was the resurrection of Lazarus that nerved the apostles to enter Jerusalem, it was the memory of the transfiguration that sustained the Master at this trying period of his bestowal.
5. De blinde in Jericho ^top 5. The Blind Man at Jericho ^top
171:5.1 (1873.1) Laat in de middag van donderdag 30 maart naderden Jezus en zijn apostelen aan het hoofd van een groep van ongeveer tweehonderd volgelingen, de muren van Jericho. Toen ze bij de stadspoort kwamen, troffen ze een drom bedelaars aan, waaronder een zekere Bartimeüs, een wat oudere man die al vanaf zijn jeugd blind was. Deze blinde bedelaar had veel over Jezus gehoord en was geheel op de hoogte van de genezing van de blinde Josias in Jeruzalem. Van het laatste bezoek van Jezus aan Jericho had hij pas gehoord nadat Jezus reeds was doorgegaan naar Betanië. Bartimeüs was vastbesloten dat het hem niet nog eens zou gebeuren dat Jezus Jericho bezocht zonder dat hij een beroep op hem zou doen om zijn gezichtsvermogen te herstellen. 171:5.1 (1873.1) Late on the afternoon of Thursday, March 30, Jesus and his apostles, at the head of a band of about two hundred followers, approached the walls of Jericho. As they came near the gate of the city, they encountered a throng of beggars, among them one Bartimeus, an elderly man who had been blind from his youth. This blind beggar had heard much about Jesus and knew all about his healing of the blind Josiah at Jerusalem. He had not known of Jesus’ last visit to Jericho until he had gone on to Bethany. Bartimeus had resolved that he would never again allow Jesus to visit Jericho without appealing to him for the restoration of his sight.
171:5.2 (1873.2) Het nieuws dat Jezus in aantocht was, had zich reeds door heel Jericho verspreid, en honderden inwoners stroomden naar buiten om hem tegemoet te gaan. Toen deze grote menigte met de Meester in de stad terugkwam, hoorde Bartimeüs aan het gedruis van de vele voeten dat er iets bijzonders gaande was, en daarom vroeg hij aan degenen die dichtbij hem stonden, wat er aan de hand was. Een van de bedelaars antwoordde: ‘Jezus van Nazaret gaat voorbij.’ Toen Bartimeüs hoorde dat Jezus dichtbij was, verhief hij zijn stem en begon luid te roepen: ‘Jezus, Jezus, ontferm u over mij!’ En aangezien hij almaar luider bleef roepen, gingen sommigen van degenen die dichtbij Jezus waren, naar hem toe, berispten hem en verzochten hem zich stil te houden. Maar dit hielp niet, hij riep slechts des te meer en luider. 171:5.2 (1873.2) News of Jesus’ approach had been heralded throughout Jericho, and hundreds of the inhabitants flocked forth to meet him. When this great crowd came back escorting the Master into the city, Bartimeus, hearing the heavy tramping of the multitude, knew that something unusual was happening, and so he asked those standing near him what was going on. And one of the beggars replied, “Jesus of Nazareth is passing by.” When Bartimeus heard that Jesus was near, he lifted up his voice and began to cry aloud, “Jesus, Jesus, have mercy upon me!” And as he continued to cry louder and louder, some of those near to Jesus went over and rebuked him, requesting him to hold his peace; but it was of no avail; he cried only the more and the louder.
171:5.3 (1873.3) Toen Jezus de blinde man zo luid hoorde roepen, stond hij stil. En toen hij hem zag, zei hij tot zijn vrienden: ‘Breng de man bij mij.’ En toen gingen dezen naar Bartimeüs toe en zeiden tot hem: ‘Wees welgemoed, kom mee, want de Meester roept je.’ Toen Bartimeüs deze woorden hoorde, wierp hij zijn kleed af en sprong naar voren naar het midden van de weg, en zij die dichtbij stonden, geleidden hem naar Jezus. Jezus richtte zich tot Bartimeus en zei: ‘Wat wilt ge dat ik voor u doen zal?’ Hierop antwoordde de blinde: ‘Ik zou graag weer kunnen zien.’ Toen Jezus dit verzoek hoorde en zijn geloof zag, zei hij: ‘Ge zult weer kunnen zien, ga uws weegs; uw geloof heeft u genezen.’ Ogenblikkelijk kon hij zien, en hij bleef bij Jezus en loofde God; en de volgende dag, toen Jezus op weg ging naar Jeruzalem, liep hij voor de menigte uit en maakte aan allen bekend hoe hij zijn gezichtsvermogen had teruggekregen in Jericho. 171:5.3 (1873.3) When Jesus heard the blind man crying out, he stood still. And when he saw him, he said to his friends, “Bring the man to me.” And then they went over to Bartimeus, saying: “Be of good cheer; come with us, for the Master calls for you.” When Bartimeus heard these words, he threw aside his cloak, springing forward toward the center of the road, while those near by guided him to Jesus. Addressing Bartimeus, Jesus said: “What do you want me to do for you?” Then answered the blind man, “I would have my sight restored.” And when Jesus heard this request and saw his faith, he said: “You shall receive your sight; go your way; your faith has made you whole.” Immediately he received his sight, and he remained near Jesus, glorifying God, until the Master started on the next day for Jerusalem, and then he went before the multitude declaring to all how his sight had been restored in Jericho.
6. Het bezoek aan Zacheüs ^top 6. The Visit to Zaccheus ^top
171:6.1 (1873.4) Toen de stoet van de Meester Jericho binnentrok, ging de zon bijna onder en de Meester was van plan daar te overnachten. Terwijl Jezus langs het belastingkantoor liep, was Zacheüs, het hoofd van de tollenaren of belastingontvangers, daar toevallig aanwezig en hij verlangde er zeer naar Jezus te zien. Dit hoofd der tollenaren was zeer rijk en had veel over deze profeet uit Galilea gehoord. Hij had zich voorgenomen om, wanneer Jezus opnieuw Jericho mocht bezoeken, te kijken wat voor een man hij was; bijgevolg probeerde Zacheüs zich door de menigte heen te worstelen, maar deze was te dicht, en omdat hij klein van postuur was, kon hij ook niet over de hoofden heen zien. En dus liep de hoofdtollenaar met de menigte mee tot zij bij het centrum van de stad kwamen, niet ver van waar hij woonde. Toen hij zag dat hij zich niet door de menigte heen zou kunnen dringen, en omdat hij dacht dat Jezus misschien direct de stad door zou gaan zonder zijn tocht te onderbreken, holde hij vooruit en klom in een wilde vijgeboom waarvan de brede takken over de weg hingen. Hij wist dat hij op deze manier goed zicht op de Meester zou krijgen terwijl deze daar langskwam. En hij werd niet teleurgesteld, want toen Jezus passeerde, hield hij stil, keek omhoog naar Zacheüs en zei: ‘Kom vlug naar beneden, Zacheüs, want vanavond moet ik in uw huis overnachten.’ Toen Zacheüs deze verbazingwekkende woorden hoorde, viel hij bijna uit de boom in zijn haast om naar beneden te komen; hij ging naar Jezus toe en gaf uiting aan zijn grote vreugde dat de Meester bereid was om in zijn huis te logeren. 171:6.1 (1873.4) When the Master’s procession entered Jericho, it was nearing sundown, and he was minded to abide there for the night. As Jesus passed by the customs house, Zaccheus the chief publican, or tax collector, happened to be present, and he much desired to see Jesus. This chief publican was very rich and had heard much about this prophet of Galilee. He had resolved that he would see what sort of a man Jesus was the next time he chanced to visit Jericho; accordingly, Zaccheus sought to press through the crowd, but it was too great, and being short of stature, he could not see over their heads. And so the chief publican followed on with the crowd until they came near the center of the city and not far from where he lived. When he saw that he would be unable to penetrate the crowd, and thinking that Jesus might be going right on through the city without stopping, he ran on ahead and climbed up into a sycamore tree whose spreading branches overhung the roadway. He knew that in this way he could obtain a good view of the Master as he passed by. And he was not disappointed, for, as Jesus passed by, he stopped and, looking up at Zaccheus, said: “Make haste, Zaccheus, and come down, for tonight I must abide at your house.” And when Zaccheus heard these astonishing words, he almost fell out of the tree in his haste to get down, and going up to Jesus, he expressed great joy that the Master should be willing to stop at his house.
171:6.2 (1874.1) Ze gingen meteen naar het huis van Zacheüs, en degenen die in Jericho woonden waren zeer verrast dat Jezus erin toestemde bij de hoofdtollenaar te logeren. Zelfs toen de Meester en zijn apostelen al met Zacheüs voor de deur van zijn huis stonden, zei een van de omstanders, een Farizeeër uit Jericho: ‘Ge ziet dat deze man gaat logeren bij een zondaar, een afvallige zoon Abrahams, een afperser die zijn eigen volk berooft.’ Toen Jezus deze woorden hoorde, zag hij neer op Zacheüs en glimlachte. Daarop ging Zacheüs op een bankje staan en zei: ‘Mensen van Jericho, luistert naar mij! Ik mag dan wel een tollenaar en zondaar zijn, maar de grote Leraar is gekomen om in mijn huis te overnachten; en vóór hij naar binnen gaat, wil ik u zeggen dat ik de helft van al mijn goederen aan de armen zal schenken, en van morgen af aan zal ik, indien ik ten onrechte iets van iemand heb gevorderd, het viervoudig teruggeven. Ik ga van ganser harte redding zoeken en ga leren gerechtigheid te doen in Gods ogen.’ 171:6.2 (1874.1) They went at once to the home of Zaccheus, and those who lived in Jericho were much surprised that Jesus would consent to abide with the chief publican. Even while the Master and his apostles lingered with Zaccheus before the door of his house, one of the Jericho Pharisees, standing near by, said: “You see how this man has gone to lodge with a sinner, an apostate son of Abraham who is an extortioner and a robber of his own people.” And when Jesus heard this, he looked down at Zaccheus and smiled. Then Zaccheus stood upon a stool and said: “Men of Jericho, hear me! I may be a publican and a sinner, but the great Teacher has come to abide in my house; and before he goes in, I tell you that I am going to bestow one half of all my goods upon the poor, and beginning tomorrow, if I have wrongfully exacted aught from any man, I will restore fourfold. I am going to seek salvation with all my heart and learn to do righteousness in the sight of God.”
171:6.3 (1874.2) Toen Zacheüs ophield met spreken, zei Jezus: ‘Heden is er redding gekomen gekomen tot dit huis en zijt ge inderdaad een zoon van Abraham geworden.’ Hierop wendde hij zich tot de velen die om hem heen waren komen staan en sprak: ‘En verwondert u niet om hetgeen ik zeg en neemt geen aanstoot aan wat wij doen, want ik heb steeds gezegd dat de Zoon des Mensen is gekomen om wat verloren is te zoeken en te redden.’ 171:6.3 (1874.2) When Zaccheus had ceased speaking, Jesus said: “Today has salvation come to this home, and you have become indeed a son of Abraham.” And turning to the crowd assembled about them, Jesus said: “And marvel not at what I say nor take offense at what we do, for I have all along declared that the Son of Man has come to seek and to save that which is lost.”
171:6.4 (1874.3) Zij logeerden die nacht bij Zacheüs. De volgende morgen stonden ze op en sloegen de ‘weg van de rovers’ in, die omhoog voerde naar Betanië en gingen zo op weg naar het Paasfeest in Jeruzalem. 171:6.4 (1874.3) They lodged with Zaccheus for the night. On the morrow they arose and made their way up the “road of robbers” to Bethany on their way to the Passover at Jerusalem.
7. ‘Terwijl Jezus voorbijging’ ^top 7. “As Jesus Passed By” ^top
171:7.1 (1874.4) Jezus straalde opgewektheid uit waar hij ook kwam. Hij was vol genade en waarheid. Zijn metgezellen bleven zich verwonderen over de beminnelijke woorden die over zijn lippen kwamen. Wellevendheid kunt ge aankweken, maar beminnelijkheid is het aroma van vriendelijkheid dat een van liefde vervulde ziel verspreidt. 171:7.1 (1874.4) Jesus spread good cheer everywhere he went. He was full of grace and truth. His associates never ceased to wonder at the gracious words that proceeded out of his mouth. You can cultivate gracefulness, but graciousness is the aroma of friendliness which emanates from a love-saturated soul.
171:7.2 (1874.5) Goedheid dwingt altijd respect af, maar als zij zonder gratie is, weert ze genegenheid dikwijls af. Goedheid is alleen universeel aantrekkelijk wanneer zij gepaard gaat met beminnelijkheid. En goedheid is alleen effectief wanneer zij aantrekkelijk is. 171:7.2 (1874.5) Goodness always compels respect, but when it is devoid of grace, it often repels affection. Goodness is universally attractive only when it is gracious. Goodness is effective only when it is attractive.
171:7.3 (1874.6) Jezus begreep de mensen werkelijk: daarom kon hij echte sympathie aan de dag leggen en oprecht medegevoel tonen. Maar hij koesterde zelden medelijden. Hoewel zijn compassie grenzeloos was, was zijn sympathie praktisch, persoonlijk en opbouwend. Zijn vertrouwdheid met lijden maakte hem nooit onverschillig, en hij kon bedroefde zielen van dienst zijn zonder hun zelfmedelijden te vergroten. 171:7.3 (1874.6) Jesus really understood men; therefore could he manifest genuine sympathy and show sincere compassion. But he seldom indulged in pity. While his compassion was boundless, his sympathy was practical, personal, and constructive. Never did his familiarity with suffering breed indifference, and he was able to minister to distressed souls without increasing their self-pity.
171:7.4 (1874.7) Jezus kon de mensen zo goed helpen, omdat hij zo echt van hen hield. Hij had iedere man, iedere vrouw en ieder kind waarlijk lief. Hij kon zulk een ware vriend zijn door zijn opmerkelijke inzicht — hij wist precies wat er in het hart en het bewustzijn van de mens omging. Hij was een belangstellend en scherp waarnemer. Hij was een expert in het begrijpen van menselijke behoeften, bedreven in het ontdekken van menselijke verlangens. 171:7.4 (1874.7) Jesus could help men so much because he loved them so sincerely. He truly loved each man, each woman, and each child. He could be such a true friend because of his remarkable insight—he knew so fully what was in the heart and in the mind of man. He was an interested and keen observer. He was an expert in the comprehension of human need, clever in detecting human longings.
171:7.5 (1874.8) Jezus was nooit gehaast. Hij had tijd om zijn medemensen te bemoedigen ‘terwijl hij voorbij ging.’ Hij stelde zijn vrienden altijd op hun gemak. Hij kon innemend luisteren. Hij hield zich nooit op met bemoeizuchtig graven in de ziel van zijn metgezellen. Wanneer hij het hongerige denken van de mensen verkwikte en hun dorstige zielen laafde, hadden degenen die zijn weldaden ontvingen niet zozeer het gevoel dat zij bekentenissen aan hem deden, als wel dat zij overleg met hem pleegden. Zij stelden een onbegrensd vertrouwen in hem omdat zij zagen hoeveel vertrouwen hij in hen had. 171:7.5 (1874.8) Jesus was never in a hurry. He had time to comfort his fellow men “as he passed by.” And he always made his friends feel at ease. He was a charming listener. He never engaged in the meddlesome probing of the souls of his associates. As he comforted hungry minds and ministered to thirsty souls, the recipients of his mercy did not so much feel that they were confessing to him as that they were conferring with him. They had unbounded confidence in him because they saw he had so much faith in them.
171:7.6 (1875.1) Hij scheen nooit nieuwsgierig te zijn naar mensen en gaf nimmer blijk hen te willen dirigeren, naar zijn hand te zetten, of hen na te willen gaan. Hij bezielde allen die met hem omgingen met een fundamenteel zelfvertrouwen en stoere moed. Wanneer hij iemand teolachte, voelde deze sterveling zich beter in staat zijn veelvoudige problemen op te lossen. 171:7.6 (1875.1) He never seemed to be curious about people, and he never manifested a desire to direct, manage, or follow them up. He inspired profound self-confidence and robust courage in all who enjoyed his association. When he smiled on a man, that mortal experienced increased capacity for solving his manifold problems.
171:7.7 (1875.2) Jezus hield zo veel, en zo verstandig, van de mensen, dat hij nooit aarzelde streng tegen hen te zijn wanneer de gelegenheid zulke discipline vereiste. Wanneer hij iemand wilde helpen, begon hij dikwijls deze mens om hulp te vragen. Op deze wijze won hij iemands aandacht, deed hij een beroep op het beste in de menselijke natuur. 171:7.7 (1875.2) Jesus loved men so much and so wisely that he never hesitated to be severe with them when the occasion demanded such discipline. He frequently set out to help a person by asking for help. In this way he elicited interest, appealed to the better things in human nature.
171:7.8 (1875.3) De Meester kon reddend geloof bespeuren in het grove bijgeloof van de vrouw die genezing zocht door de zoom van zijn kleed aan te raken. Hij was altijd bereid en gereed om met een toespraak op te houden of een menigte te laten wachten, terwijl hij een enkeling hielp in zijn noden, ook al was het een klein kind. Grote dingen kwamen tot stand, niet alleen omdat de mensen geloof hadden in Jezus, maar ook omdat Jezus zoveel geloof had in hen. 171:7.8 (1875.3) The Master could discern saving faith in the gross superstition of the woman who sought healing by touching the hem of his garment. He was always ready and willing to stop a sermon or detain a multitude while he ministered to the needs of a single person, even to a little child. Great things happened not only because people had faith in Jesus, but also because Jesus had so much faith in them.
171:7.9 (1875.4) De meeste werkelijk belangrijke dingen die Jezus zei of deed, schenen terloops te gebeuren, ‘terwijl hij voorbij ging’. In het dienstbetoon van de Meester op aarde viel zeer weinig te bespeuren van het professionele, het planmatige, of van het van te voren overlegde. Op een natuurlijke, gracieuze manier deelde hij gezondheid uit en strooide hij geluk om zich heen terwijl hij zijn weg ging door het leven. Het was letterlijk waar, ‘Hij ging rond goeddoende.’ 171:7.9 (1875.4) Most of the really important things which Jesus said or did seemed to happen casually, “as he passed by.” There was so little of the professional, the well-planned, or the premeditated in the Master’s earthly ministry. He dispensed health and scattered happiness naturally and gracefully as he journeyed through life. It was literally true, “He went about doing good.”
171:7.10 (1875.5) En het past de volgelingen van de Meester in alle tijdperken om te leren ‘terloops’ te helpen — om op onbaatzuchtige wijze goed te doen terwijl zij hun dagelijkse plichten vervullen. 171:7.10 (1875.5) And it behooves the Master’s followers in all ages to learn to minister as “they pass by”—to do unselfish good as they go about their daily duties.
8. De gelijkenis van de ponden ^top 8. Parable of the Pounds ^top
171:8.1 (1875.6) Zij vertrokken pas tegen de middag uit Jericho, daar zij de vorige avond laat waren opgebleven terwijl Jezus Zacheüs en diens gezin het evangelie van het koninkrijk onderrichtte. Ongeveer halverwege de weg die omhoog liep naar Betanië, hield de groep stil voor het middagmaal, terwijl de menigte doorging naar Jeruzalem, niet wetende dat Jezus en de apostelen die nacht op de Olijfberg zouden blijven. 171:8.1 (1875.6) They did not start from Jericho until near noon since they sat up late the night before while Jesus taught Zaccheus and his family the gospel of the kingdom. About halfway up the ascending road to Bethany the party paused for lunch while the multitude passed on to Jerusalem, not knowing that Jesus and the apostles were going to abide that night on the Mount of Olives.
171:8.2 (1875.7) Anders dan de gelijkenis van de talenten die voor alle discipelen bedoeld was, werd de gelijkenis van de ponden meer in het bijzonder tot de apostelen gericht; zij was grotendeels gebaseerd op de ervaring van Archelaüs en diens vergeefse poging om de heerschappij over het koninkrijk Judea te verkrijgen. Dit is een van de weinige gelijkenissen van de Meester die inderdaad teruggaat op een historische figuur. Het was niet zo vreemd dat zij aan Archelaüs dachten, omdat het huis van Zacheüs in Jericho vlakbij het rijk versierde paleis van Archelaüs stond, en ook liep zijn aquaduct langs de weg die zij bij hun vertrek uit Jericho hadden genomen. 171:8.2 (1875.7) The parable of the pounds, unlike the parable of the talents, which was intended for all the disciples, was spoken more exclusively to the apostles and was largely based on the experience of Archelaus and his futile attempt to gain the rule of the kingdom of Judea. This is one of the few parables of the Master to be founded on an actual historic character. It was not strange that they should have had Archelaus in mind inasmuch as the house of Zaccheus in Jericho was very near the ornate palace of Archelaus, and his aqueduct ran along the road by which they had departed from Jericho.
171:8.3 (1875.8) Jezus zei: ‘Jullie denken dat de Zoon des Mensen opgaat naar Jeruzalem om een koningschap te ontvangen, maar ik zeg jullie dat je gedoemd bent hierin teleurgesteld te worden. Herinneren jullie je niet het verhaal van een zekere vorst die naar een ver land toog om een koningschap voor zichzelf in ontvangst te nemen, maar nog voor hij kon terugkeren zonden de burgers van zijn provincie, die hem in hun hart reeds hadden afgewezen, een gezantschap achterna met de woorden: ‘Wij willen niet dat deze man over ons zal regeren.’ Zoals deze koning werd afgewezen als wereldlijk regeerder, zo zal de Zoon des Mensen verworpen worden als geestelijk regeerder. En opnieuw zeg ik jullie dat mijn koninkrijk niet van deze wereld is; indien de Zoon des Mensen echter het geestelijk bestuur over zijn volk gekregen had, zou hij dit koninkrijk van mensenzielen aanvaard hebben en zou hij geregeerd hebben over zulk een rijk van mensenharten. Ondanks het feit dat zij mijn geestelijke heerschappij over hen verwerpen, zal ik eens terugkomen om van anderen zulk een geest-koninkrijk te ontvangen als mij nu wordt ontzegd. Jullie zullen zien dat de Zoon des Mensen nu verworpen wordt, maar in een ander tijdperk zal hetgeen de kinderen Abrahams nu verwerpen, aangenomen en verheerlijkt worden. 171:8.3 (1875.8) Said Jesus: “You think that the Son of Man goes up to Jerusalem to receive a kingdom, but I declare that you are doomed to disappointment. Do you not remember about a certain prince who went into a far country to receive for himself a kingdom, but even before he could return, the citizens of his province, who in their hearts had already rejected him, sent an embassy after him, saying, ‘We will not have this man to reign over us’? As this king was rejected in the temporal rule, so is the Son of Man to be rejected in the spiritual rule. Again I declare that my kingdom is not of this world; but if the Son of Man had been accorded the spiritual rule of his people, he would have accepted such a kingdom of men’s souls and would have reigned over such a dominion of human hearts. Notwithstanding that they reject my spiritual rule over them, I will return again to receive from others such a kingdom of spirit as is now denied me. You will see the Son of Man rejected now, but in another age that which the children of Abraham now reject will be received and exalted.
171:8.4 (1876.1) ‘Evenals de afgewezen edelman uit deze gelijkenis, wil ik nu mijn twaalf dienaren, mijn speciale rentmeesters, bij mij roepen om hun ieder de som van één pond in handen te geven, en ik raad ieder aan mijn aanwijzingen goed ter harte te nemen zodat jullie ijverig met de je toevertrouwde gelden handeldrijft gedurende de tijd dat ik afwezig zal zijn, zodat je met het bereikte resultaat je rentmeesterschap zult kunnen rechtvaardigen wanneer ik terugkom en er rekenschap van jullie gevraagd zal worden. 171:8.4 (1876.1) “And now, as the rejected nobleman of this parable, I would call before me my twelve servants, special stewards, and giving into each of your hands the sum of one pound, I would admonish each to heed well my instructions that you trade diligently with your trust fund while I am away that you may have wherewith to justify your stewardship when I return, when a reckoning shall be required of you.
171:8.5 (1876.2) ‘En zelfs indien deze verworpen Zoon niet terugkomt, zal er een andere Zoon gezonden worden om dit koningschap in ontvangst te nemen en deze Zoon zal jullie dan allen ontbieden om verslag van jullie rentmeesterschap in ontvangst te nemen en verblijd te worden met hetgeen jullie gewonnen hebt. 171:8.5 (1876.2) “And even if this rejected Son should not return, another Son will be sent to receive this kingdom, and this Son will then send for all of you to receive your report of stewardship and to be made glad by your gains.
171:8.6 (1876.3) ‘Toen deze rentmeesters later bijeengeroepen werden om verantwoording af te leggen, kwam de eerste naar voren en zei: “Heer, uw pond heb ik vertienvoudigd.” Hierop sprak zijn meester: “Goed gedaan, ge zijt een goede dienaar; en omdat ge bewezen hebt in deze zaak getrouw te zijn geweest, zal ik u over tien steden plaatsen.” En de tweede kwam naar voren en zei: “Uw pond dat gij mij achtergelaten hebt, is vervijfvoudigd.” En de meester sprak: “Ik zal u dienovereenkomstig over vijf steden stellen.” Zo ging het ook met de andere dienaren, totdat de laatste die ter verantwoording geroepen werd, zijn verslag uitbracht en zei: “Heer, zie hier is uw pond, dat ik veilig bewaard heb, opgeborgen in deze doek. Dit heb ik gedaan omdat ik bang voor u was: ik meende dat het onredelijk van u was om op te nemen waar ge niet ingelegd hebt en om te willen oogsten waar ge niet gezaaid hebt.” Toen zei deze heer: “Gij nalatige en ontrouwe dienaar, ik zal u naar uw eigen woorden oordelen. Ge wist dat ik oogst waar ik ogenschijnlijk niet gezaaid heb; daarom wist ge ook dat deze verantwoording van u geëist zou worden. Nu ge dit wist had ge tenminste mijn geld op de bank kunnen zetten, zodat ik het bij mijn terugkomst met behoorlijke rente terug had kunnen krijgen.” 171:8.6 (1876.3) “And when these stewards were subsequently called together for an accounting, the first came forward, saying, ‘Lord, with your pound I have made ten pounds more.’ And his master said to him: ‘Well done; you are a good servant; because you have proved faithful in this matter, I will give you authority over ten cities.’ And the second came, saying, ‘Your pound left with me, Lord, has made five pounds.’ And the master said, ‘I will accordingly make you ruler over five cities.’ And so on down through the others until the last of the servants, on being called to account, reported: ‘Lord, behold, here is your pound, which I have kept safely done up in this napkin. And this I did because I feared you; I believed that you were unreasonable, seeing that you take up where you have not laid down, and that you seek to reap where you have not sown.’ Then said his lord: ‘You negligent and unfaithful servant, I will judge you out of your own mouth. You knew that I reap where I have apparently not sown; therefore you knew this reckoning would be required of you. Knowing this, you should have at least given my money to the banker that at my coming I might have had it with proper interest.’
171:8.7 (1876.4) ‘Daarop zei deze heerser tot degenen die in de buurt stonden: “Neem deze luie dienaar het geld af en geef het aan hem die tien ponden heeft.” Toen ze de meester eraan herinnerden dat deze dienaar reeds tien ponden had, zei hij: “Aan ieder die heeft zal meer gegeven worden, maar van hem die niet heeft, zal zelfs datgene worden afgenomen wat hij heeft.” 171:8.7 (1876.4) “And then said this ruler to those who stood by: ‘Take the money from this slothful servant and give it to him who has ten pounds.’ And when they reminded the master that such a one already had ten pounds, he said: ‘To every one who has shall be given more, but from him who has not, even that which he has shall be taken away from him.’”
171:8.8 (1876.5) Toen wilden de apostelen van hem het verschil horen tussen de betekenis van deze gelijkenis en die van de vroegere parabel van de talenten, maar in antwoord op hun vele vragen, wilde Jezus alleen zeggen: ‘Overweegt deze woorden goed in jullie hart, terwijl ieder van jullie achter hun ware betekenis tracht te komen.’ 171:8.8 (1876.5) And then the apostles sought to know the difference between the meaning of this parable and that of the former parable of the talents, but Jesus would only say, in answer to their many questions: “Ponder well these words in your hearts while each of you finds out their true meaning.”
171:8.9 (1876.6) Het was Natanael die in latere jaren de betekenis van deze twee gelijkenissen zeer goed onderwees, en zijn onderricht in de volgende conclusies samenvatte: 171:8.9 (1876.6) It was Nathaniel who so well taught the meaning of these two parables in the after years, summing up his teachings in these conclusions:
171:8.10 (1876.7) 1. Bekwaamheid is de praktische maat voor de kansen in het leven. Ge zult nooit verantwoordelijk gehouden worden voor hetgeen uw bekwaamheden te boven gaat. 171:8.10 (1876.7) 1. Ability is the practical measure of life’s opportunities. You will never be held responsible for the accomplishment of that which is beyond your abilities.
171:8.11 (1876.8) 2. Getrouwheid is de feilloze maat voor menselijke betrouwbaarheid. Hij die getrouw is in kleine dingen, zal waarschijnlijk ook getrouwheid aan de dag leggen in alles wat met zijn gaven overeenstemt. 171:8.11 (1876.8) 2. Faithfulness is the unerring measure of human trustworthiness. He who is faithful in little things is also likely to exhibit faithfulness in everything consistent with his endowments.
171:8.12 (1876.9) 3. De Meester geeft een geringere beloning voor geringere getrouwheid wanneer de kansen gelijk zijn. 171:8.12 (1876.9) 3. The Master grants the lesser reward for lesser faithfulness when there is like opportunity.
171:8.13 (1877.1) 4. Hij geeft een gelijke beloning voor gelijke getrouwheid ook wanneer de kansen geringer zijn. 171:8.13 (1877.1) 4. He grants a like reward for like faithfulness when there is lesser opportunity.
171:8.14 (1877.2) Toen zij klaar waren met hun middagmaal, en toen de menigte volgelingen doorgegaan was naar Jeruzalem, wees Jezus, daar voor de apostelen staande in de schaduw van een overhangende rots langs de weg, met opgewekte waardigheid en minzame majesteit naar het westen en zei: ‘Kom, broeders, laten wij verder gaan en Jeruzalem binnengaan om daar te ontvangen wat ons wacht; aldus zullen wij in alle dingen de wil van de hemelse Vader volbrengen.’ 171:8.14 (1877.2) When they had finished their lunch, and after the multitude of followers had gone on toward Jerusalem, Jesus, standing there before the apostles in the shade of an overhanging rock by the roadside, with cheerful dignity and a gracious majesty pointed his finger westward, saying: “Come, my brethren, let us go on into Jerusalem, there to receive that which awaits us; thus shall we fulfill the will of the heavenly Father in all things.”
171:8.15 (1877.3) En dus hervatten Jezus en zijn apostelen hun tocht, de laatste tocht van de Meester naar Jeruzalem in de gelijkenis van het vlees van de sterfelijke mens. 171:8.15 (1877.3) And so Jesus and his apostles resumed this, the Master’s last journey to Jerusalem in the likeness of the flesh of mortal man.